Ik weet niet precies wat het vliegvissen ons leert, maar ik denk dat het
iets is dat we moeten weten.
John Gierach (Sex, Death and Flyfishing).
Het vissen met kunstvliegen staat reeds beschreven in een aparte bijlage van het boekje
"Hoe leer ik visschen" van Cor. Missët in de tweede druk van 1916.
Er schijnt van dit boekje hier te lande slechts 1 exemplaar bekend te zijn.
In het VNV blad nr 63, najaar 2002, stond hierover een mooi artikel van de
hand van Leon Links en Kees Ketting. Het materiaal zou bestaan uit een circa 4 meter
lange hengel, waaraan een lijn van zijde. Verder werd een droge vlieg gebruikt die
in het oppervlak of vlak daarboven werd binnen gevist.
Deze manier van vliegvissen wordt in Ierland nog steeds toegepast in het meivlieg-seizoen
("dapping").
Voor zover bekend is het hier in Nederland echter geen veel gebruikte manier van vissen geweest.
In zijn boekje "Hengelen in de praktijk" uit 1930 rept Missët echter niet meer over deze vorm van vissen. Wel schrijft hij nog over het vissen op witvisch:
"Nog wil, tegen den avond, hoog zwemmende witvisch wel eens te vangen zijn met een klein wit pluisje dons aan een zéér kleine haak en ragfijne draad over het water gesleept. Ze happen dan naar de muggen en vliegen, die op het water vallen en begaan dan, volkomen begrijpelijk, wel eens abuizen."
De eerste druk van de klassieker "Beet" verscheen in 1940. De vijfde en uitgebreide druk zag in 1953 het levenslicht , en daarin schrijft Geudeker nog: "Zo zou het bijvoorbeeld volkomen onnut zijn de zeer speciale werphengel, die voor het vissen op forel (in het buitenland) gebruikt wordt, te beschrijven, om de eenvoudige reden, dat de forel, behoudens in één riviertje, de Geul in Limburg, in Nederland niet voorkomt en het forellen-vissen door de Nederlandse hengelaar dan ook practisch niet beoefend wordt. Evenzo staat het met het zalm-vissen. De specifieke vliegen-hengel, gemaakt voor het vissen met vlieg op zalm en forel, een zeer slappe hengel, waarmede men door een zeer bijzondere en kunstige wijze van werpen het uiterst lichte aas over grote afstand op het doorgaans snel stromende water kan doen belanden, kan dus genoegelijk buiten beschouwing blijven. Toch is het goed, dat de Nederlandse hengelaar weet, dat deze 'vliegenhengel' bestaat, ware het slechts hierom, dat hij weet ... dat hij deze niet hebben moet."
Hoewel de firma Snel in Amsterdam al voor de oorlog Hardy dealer was, waren er
toen nauwelijks mensen in Nederland die met een vliegenhengel overweg konden.
Het vliegvissen zoals we dat tegenwoordig in Nederland kennen is pas rond 1950 begonnen.
Nederlandse pioniers zoals Jos Peeters, Jan Schreiner en anderen ontdekten
dat deze methode niet alleen voor forel en vlagzalm gebruikt kon worden, maar
dat er ook ruisvoorns in de heldere wateren van sommige van de Nederlandse
polders mee konden worden gevangen.
Het leerproces ging met vallen en opstaan gepaard. Jan Roelofs dacht destijds
de nieuwe "vliegenworp" met zijn spinhengel uit te proberen. De spinner belandde
echter bij zijn oor en tot aan zijn dood toe moest Jan de opgelopen kwetsuren
ieder jaar medisch laten behandelen.
Nog geen twintig jaar later is de situatie helemaal veranderd.
In de achtste druk van het boek "Beet", uit 1971, staat al heel wat anders te lezen: "Toch is deze 'vliegen-hengel', ondanks het ontbreken van stromend forel- en zalmwater in ons land, de laatste jaren in zwang gekomen. Ook is de vliegen-hengel voor het vissen met de (kunst-) vlieg op voorn, en natuurlijk voor hen die in het buitenland op forel of zalm gaan vissen, van belang."
Hieruit valt niet alleen af te leiden dat de vliegvisserij op ruisvoorn inmiddels bekender was, maar dat het ook al voor meerdere vissers mogelijk was geworden om vakantietrips naar riviertjes in de Ardennen en Eifel te houden om daar op forel en vlagzalm te vissen.
In de daarop volgende jaren heeft het vliegvissen steeds aan populariteit
gewonnen. Niet alleen ruisvoorns pakten de vlieg, ook andere vissoorten
bleken hiermee te vangen.
Ruisvoorn
Tegenwoordig vissen vliegvissers op onder andere: ruisvoorn, blankvoorn, winde, brasem,
snoekbaars, snoek, baars en bruine - en regenboogforel.
Op diverse plaatsen zijn bruine- en/of regenboogforellen uitgezet.
Sinds meer dan 15 jaar is het mogelijk om op wilde zeeforel te vissen,
hoofdzakelijk in zout water.
Vliegenhengels, varierend van Aftma 1 tot zo ongeveer 7 worden gebruikt voor
de diverse situaties die de Nederlandse vliegvisser kan tegenkomen.
In de meeste gevallen kan men met een # 3 tot 5 hengel aardig uit de voeten,
maar voor het vissen van een grote streamer is een zwaardere hengel nodig.
Een lange hengel (2.90 m bv.) kan makkelijk zijn voor het vissen in de polder
of op het IJsselmeer of andere grote wateren.

IJsselmeer
Veel bekende forelvliegen kunnen worden gebruikt. Een grote palmer, haakje
8 tot 12 (of nog groter) was een populaire vlieg in de beginjaren, en is dat
tot op de dag van vandaag nog steeds.
Een Red Tag is een goede vlieg, evenals een Sedge patroon.
Veel nimf patronen zijn goed te gebruiken.
De streamers die worden gebruikt vertonen vaak een grote overeenkomst met een
oude scheerkwast.
In principe kan in ieder water dat redelijk helder is gevist worden.
Men kan kiezen uit de sloten en vaarten in de polders, of naar de grote rivieren
gaan zoals de Rijn, IJssel of Maas.
Bruine- en regenboogforel is uitgezet in onder andere het Veerse meer. Er zijn
diverse forellenputten, de Eemhof  is daarvan een mooi voorbeeld.

De Wijde Blick, in de buurt van Hilversum.
In het voorjaar, zo rond half april, komen grote scholen blankvoorn en brasem
onder de oevers van het IJsselmeer.
Een verzwaarde nimf, zoals een Goudkop, kan dan resultaat opleveren.
De Hofman haven bij Den Oever is in die tijd een plaats die de moeite waard is.
Een waadpak is wel nodig om het gebied af te kunnen vissen.
Probeer, voor U er naartoe gaat, informatie bij een lokale vliegvisser te
krijgen (of ga naar de pagina met links en klik op de site van Johan Sibum) want de beste tijd
kan heel snel voorbij zijn. Het is geheel afhankelijk van de weersomstandigheden.

De Hofmanhaven